Het Van Peteghem-orgel te Maarke

 

Sinds eeuwen wordt de eredienst ondersteund en opgeluisterd door orgelmuziek. Elke kerk bezit een orgel en de schoonheid, de grootsheid en de praal van beide zijn doorgaans aan elkaar gewaagd.
Toen op 17 mei 1774 "ten vier uren naer middagh" onder de grote belangstelling van de toenmalige 225 families van Maarke de eerste steen gelegd werd van de nieuwe kerk, was een orgel niet de eerste prioriteit. Naarmate de bouw en de afwerking vorderden (vloeren uit Basècles, verplaatsen van preek- en biechtstoelen uit de oude kerk, maken van boiserie en communiebank) werd reeds in 1777 een plan gemaakt voor het portaal met daarboven een plaats voor een orgelkast.
Het zou echter nog duren tot 1806 vooraleer overgegaan werd tot de aankoop van een orgel. De onderhandelingen van de toenmalige pastoor Jean-Baptiste Van der Gauwen(1) met de kerkfabriek van de St.-Bartholomeuskerk van Geraardsbergen mondden uit in de aankoop van een orgel voor de som van 350 gulden vlaams.

Over het orgel

Het orgel noemt men "de koning" der instrumenten. Het is ook een ongelooflijk ingewikkeld en complex instrument. Orgelbouwers worden niet beschouwd als vaklui, maar als kunstenaars. Om de complexiteit van het instrument te illustreren leggen we summier uit hoe het orgel werkt.
Het orgel is een blaasinstrument: de toon ontstaat door het in trilling brengen van de luchtkolom die zich in een pijp bevindt. Er bestaan verschillende soorten orgelpijpen:
- labiaalpijpen, waar de toon wordt voortgebracht zoals op een blokfluit; de pijpen kunnen open, gedekt (of gesloten) of half-gedekt zijn (bij een gesloten pijp klinkt de toon een octaaf lager, probeer het maar met een eindje plasticbuis).
- linguaalpijpen, waarbij de luchtkolom trilt door middel van een metalen plaatje, te vergelijken met het riet van de klarinet of de saxofoon. 
De vorm van de pijp (cylindrisch of conisch) en het materiaal (tin of hout) beïnvloeden in hoge mate toon, klankkleur en volume.
Hoe langer de pijp, hoe lager de toon; hoe korter, hoe hoger de toon. Traditioneel drukt
men die lengte in voet uit. Een 32-voets pijp kan 11 m lang zijn, het kleinste pijpje heeft een lengte van 5 mm.

orgelmaarke2Eigenlijk bestaat een orgel uit een verzameling van verschillende blaasinstrumenten, met elk hun eigen specifieke klankkleur: dit zijn de registers. Elk register bevat dus een vijftigtal pijpen met hetzelfde karakter, en krijgt de naam van een instrument, bv. bourdon, fluit, trompet, claron, cromhoorn, enz...
Het orgel van Maarke bezit 11 registers en ± 500 pijpen (het grootste orgel telt 33.056 pijpen!) Het is de taak van de organist de juiste registers te combineren om een beoogd effect te bereiken. De mogelijkheden zijn eindeloos. Een groot orgel met bv. 42 registers heeft rekenkundig 242 - 1 = 4.398.046.511.103 verschillende mogelijkheden! In de praktijk echter volstaan een honderdtal combinaties.

 

 

Een orgel kan meer dan één klavier hebben: een met de hand bespeeld is een manuaal, met de voeten een pedaal. Een druk op de toets opent het ventiel naar de pijp (in het orgel van Maarke mechanisch via de zogenaamde "abstracten" of houten latten, bij moderne orgels pneumatisch of elektrisch).
Het orgel wordt van lucht voorzien door blaasbalgen die werden bediend door "orgeltrappers". Tegenwoordig hebben alle orgels elektrische luchttoevoer.

 

 

Het orgel van Maarke

- 7 februari 1980: bij Koninklijk Besluit wordt het orgel beschermd monument verklaard (de kerk zelf is niet beschermd).

- 16 april 1984: tussen de kerkfabriek (voorzitter Xavier d'Hoop, secretaris Mark Didier) en de orgeldeskundige Gabriël Lonque wordt een contract gesloten voor het opmaken van een restauratieontwerp.
- 24 maart 1994: uit het verslag van Gabriël Lonque: "Het orgel is in toestand van groot verval en is niet meer te herstellen. Het pijpwerk is erg beschadigd door steminsnijdingen en inkortingen .... heel wat pijpwerk is verdwenen. In origine was dit een krachtig klinkend orgel dat, alhoewel klein van bezetting aan spelen, toch goed moet geharmonieerd hebben in deze kerk, die een zeer goede muzikale akoestiek bezit. De restauratiekosten worden geschat op 5.550.000 Fr".
- 4 mei 2005: de restauratie wordt toegewezen aan de firma "Lapon Orgelbouw" uit Diksmuide voor de som van 176.708,15 euro.

Wat een orgel lijden kan!

In 1806 koopt de kerkfabriek van Maarke, met als voorzitter meier Jean-Ignace Thienpont, het orgel van de parochiekerk van Geraardsbergen voor 350 gulden. Jacobus Hubeau, smid te Nukerke en blijkbaar verstand hebbende van orgels (het orgel te Volkegem is door hem gebouwd) repareert en stelt het instrument (109 gulden), Charles Van der Beken, orgelmaker uit Gent krijgt 14 gulden "over een voyage tot het examineren derselve". De orgelkast wordt geschilderd en gevernist (54 gulden), er wordt getimmerd en gemetseld, en uiteindelijk loopt de rekening op tot 560 gulden, 9 stuivers, 6 deniers, waarvan de parochianen 490 gulden inbrengen; het saldo betaalt de kerkfabriek.
Uit het historisch onderzoek van Gabriël Lonque blijkt dat het orgel oorspronkelijk gebouwd werd door Louis (?) de la Hayes (°Chièvres, †Gent 1725): zijn naam komt voor op een paar orgelpijpen.
In 1808 volgen nog uitgaven voor een beschermkas rond de blaasbalgen, en in 1810 voor hout "voor de trophees van d'orgelkasse", i.c. de twee vlampotten en de geschilderde ornamenten op de balustrade.
Was het kerkbestuur gelukkig met het orgel? Blijkbaar niet, want in 1813 wordt Pierre-Charles Van Peteghem aangesteld om het instrument te veranderen en te vernieuwen.
Het orgel wordt naar Gent verscheept (er wordt nl. betaald om het naar Leupegem te vervoeren) en teruggebracht, waarvoor L. Van Wanzeele 31 gulden krijgt. Hout tot het verhogen van het orgel kost 208 gulden, en A.L. Ghyselinck rekent 30 gulden aan "voor eeten en drinken van den knecht van Mr Van Peteghem".
Na de werkzaamheden reist Van Peteghem door naar de kapel van Kerselare en naar Elst want "voor transport der koffer tot Kerselaere over vandaer naar Elst te vertransporteren" kost 10 stuivers.
De rekening van Van Peteghem bedraagt 1.147 gulden, 13 stuivers, 6 deniers.

In 1817 en in 1818 komt Van Peteghem het orgel visiteren en stellen voor telkens 6 gulden.
In 1822 krijgen Pierre-Charles en zijn broer Lambert-Corneille 46 gulden voor "het vernieuwen van orgel voor logiest, eeten en drank".
In 1824, voor reparatie en stellen van een nieuw register betaalt men 94 gulden.
In 1832 komt Van Peteghem nog eens het orgel stellen en nog eens in 1856 en 1877.
Verder gebeurt er niets tot 1898: Fr. Joris uit Ronse plaatst een nieuwe blaasbalg voor 250 frank.
In 1913 en 1914 betaalt men 160 fr en 25 fr aan Mr Godefroid uit Oudenaarde.
In 1926 herstelt orgelmaker Daem uit Appelterre het instrument, Godefroid in 1942 en Paul Anneesens uit Menen in 1975 en 1978.
Met de komst van E.H. Raepsaet, de nieuwe pastoor, zal er te Maarke heel wat bewegen. Dankzij hem wordt de Sint-Vincentiuskapel beschermd en gerestaureerd. Hij zal zich ook inzetten voor de klassering en restauratie van het orgel, en met succes: in 1980 wordt het orgel geklasseerd.

De restauratie

Het orgel van Maarke is dus een 18de eeuws instrument dat in de 19de eeuw grondig werd verbouwd. Dan staat de restaurateur voor een dilemma: teruggaan naar het orgel van Louis de la Hayes of dat van Van Peteghem? Men opteert voor de verbouwing van Van Peteghem: latere wijzigingen worden verwijderd, sommige registers worden op hun oorspronkelijke plaats teruggezet, ontbrekende stukken worden gekopieerd naar een bestaand Van Peteghem-orgel.
Het klavier is niet meer origineel. Er wordt een nieuw gemaakt naar het model van het orgel van de kapel te Millegem. Blaasbalg en ventilator zijn versleten en aan vervanging toe. Het orgelmeubel wordt hersteld, gedecapeerd en gevernist met schellak. Defecte pijpen worden hersteld of vernieuwd (vijf bladzijden uiterst technische specificaties) en verguld (eerst mengsel van konijnenlijm met krijt, in 5 tot 8 lagen, telkens opschuren, daarna polijsten, vervolgens 4 lagen rode bolus, polijsten, tenslotte aanbrengen van bladgoud en polijsten met de agaatsteen!).
De kleppen worden bekleed met schaapsleder (gewonnen uit het crouponstuk!) leerpoppen daarentegen worden gemaakt uit het buikstukschapenleer. Opgelet! De boorden van het leer moeten geschalmd worden, en het leer mag niet in aanraking komen met metaal. De windlade wordt winddicht gemaakt met perkament (vroeger werden daarvoor kostbare boeken kapotgesneden!).
Het bovenstaande om de complexiteit aan te tonen van een goed uitgevoerde restauratie. Daarbij wordt geen detail uit het oog verloren! Een voorbeeld: de registernamen zullen worden geschreven op etiketten van handgeschept papier, in donkere inkt volgens het lettertype "humanistisch schrift begin 19de eeuw", geschreven met bister, daarna gefixeerd ...
Ook nog: "ten behoeve van de orgelstemmer zal een ladder van 2 m lang en 30 cm breed in de orgelkast of op het doksaal opgeborgen worden. De ladder wordt gemerkt "ORGEL"', evenals de loopplank. Niet vergeten: de kaarspan te behandelen met een roestomvormend middel".
Het orgel is gerestaureerd en opgeleverd. Het valt op dat de Maarkenaren van de 19de eeuw zorg droegen voor het orgel: meerdere malen werd het gestemd en waar nodig hersteld. Het verval begon in de 20ste eeuw: van 1905 tot 1978 werden 7.908,25 armzalige franken aan het orgel besteed! Die mentaliteit is gelukkig veranderd.
In mei 2009 komt de kers op de taart: niemand minder dan Stanislas De Riemaeker, ere-titularis van de kathedraal van Antwerpen, zal het orgel is zijn nieuwe glorie laten klinken !

orgelmaarke8

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Links: het oude houten beeld van Koning David in het restauratieatelier van de firma Lapon. Rechts: de orgelkast in het restauratieatelier van de firma Lapon.

  orgelmaarke9

Een detail van de orgelkast in het restauratieatelier van de Firma Lapon.

 

Het gerestaureerde orgel wordt teruggebracht naar de kerk.

 

Met dank aan Carlo Cierkens, die de foto's bezorgde aan Businarias.

 

1. Jean-Baptiste Van der Gauwen (broer van Soeur Placide, zie Businarias Nr 5, mei 1998), geboren te Etikhove op 15 maart 1763 en overleden te Maarke op 3 oktober 1838. Zijn gedenksteen bevindt zich naast de kerkdeur. Hij was pastoor te Maarke van 25 mei 1803 tot aan zijn overlijden.