Nukerke en de telegraaf van Chappe

 

De eerste vorm van communiceren was vanzelfsprekend de taal, het gesproken woord. Voor grotere afstanden kon men roepen of schreeuwen. Vandaag is er internet en met een gsm kan men met iedereen onmiddellijk in contact komen, alles dank zij de satellieten.

Meer dan 200 jaar geleden was het ook al mogelijk om berichten met een grote snelheid, draadloos, en zonder dat er elektriciteit aan te pas kwam, door Europa te sturen. Een van die draadloze telegraaflijnen passeerde door Nukerke. Vandaag overklassen e-mail en sms alle andere communicatie-systemen in snelheid, maar de essentie van de technologie – het over lange afstand versturen van boodschappen – is allesbehalve nieuw.

Meer dan 2000 jaar geleden maakten de oude Perzen al gebruik van post-duiven om snel berichten te kunnen versturen. Een duif vliegt met een snelheid van 60 tot 120 km/u en kan afstanden van meer dan 1.000 km afleggen. De indianen maakten gebruik van rooksignalen, aan de kust maakten de bewoners voor de zeelieden lichtsignalen of waarschuwingsvuren. Ook de Grieken en de Romeinen gebruikten reeds een primitieve vorm van optische telegrafie(1). Op hooggelegen punten ontstaken zij een vuur ter bevestiging van het feit dat een bepaalde gebeurtenis, die algemeen werd verwacht, inderdaad had plaatsgevonden. Zo een signaal was alleen zinvol als vooraf een afspraak was gemaakt over de betekenis ervan.

Vóór de uitvinding van de telegraaf werden berichten meestal verstuurd met behulp van hardlopers, een koerier te paard, postduiven of de postdienst. Het versturen van berichten duurde soms enkele weken of maanden, al naar gelang de afstand. De mensen verlangden naar een snellere manier van berichten sturen, en met de ontdekking van de telegraaf was dit mogelijk.

tele2

De postdienst op het einde van de 18de eeuw.


De telegraaf van Chappe.

Rond 1790 bestond de semafoor: hiermee kon men een niet al te ingewikkeld bericht doorsturen. Een semafoor bestond uit een mast met vlaggen en volgens een bepaalde code werd letter voor letter doorgeseind. Het woord semafoor is samengesteld uit twee Griekse woorden: ʻtekenʼ σημα en ʻdragenʼ φορειν. De Fransman Claude Chappe bouwde hierop verder en ontwikkelde een eigen systeem. Een netwerk van torens met de Chappe-telegraaf, het eerste telecommunicatiesysteem ter wereld, verspreidde zich over Europa en bleef in werking totdat in 1846 de elektrische telegraaf zijn intrede deed.

De uitvinding van de telegraaf met het morse-alfabet maakte de seinpalen van Chappe overbodig. In 1860 werd de laatste Chappe-lijn buiten gebruik gesteld. Verbluffend was de snelheid waarmee de telegrammen werden overgebracht. Het overbruggen van de afstand Parijs-Rijsel kostte minder dan een kwartier. Een postkoets deed er bijvoorbeeld in 1790 vier dagen over om een bericht van Parijs naar Straatsburg te brengen, met de telegraaf duurde dit amper nog 1 uur.

 

Het toestel bestond meestal uit 2 delen: een deel dat in openlucht op een hoogte, een toren of een gebouw stond, het tweede gedeelte in het gebouw zelf waar de seingever het toestel bediende. Het zichtbare deel bestond uit een rechtstaande mast of ladder van 4 tot 5 m hoog, waaraan een dwarsbalk (regulateur) van 4,60 m/0,35 m bevestigd werd. Deze dwarsbalk, meestal in het wit geverfd, kon vier standen aannemen: horizontaal, verticaal en twee schuine standen. Aan de uiteinden van de dwarsbalk was een arm in hout aangebracht, de wijzer of indicateur. Deze was zwart geschilderd en ongeveer 2 m lang en 0,35 m breed. Elke arm kon 8 verschillende standen aannemen waarvan er slechts 7 bruikbaar waren. Met beide armen kon men 7 x 7 = 49 tekens voorstellen. Gebruikmakend van de 4 mogelijkheden met de dwarsbalk leverde dit 49 x 4 = 196 tekens op.

De onderzijde van de ladder stond meestal in een ruimte waarin het bedieningssysteem (manipulateur) werd geplaatst. Hiermee kon men via hendels, wieltjes, katrollen, stangen en touwen de regulateur en de indicateurs in de vereiste stand plaatsen.

 

De torens werden op een afstand ongeveer 10 km tot 15 km van elkaar geplaatst. In het begin werd elke telegraafpost bediend door 2 personen; de ene werd belast met het in het oog houden van beide aangrenzende telegraafposten, de andere bediende de wijzers.

Het ganse jaar door waren ze van dienst en dit van zonsopgang tot zonsondergang. Ze hadden uitsluitend de taak om de tekens van de aangrenzende stations over te nemen. Om de 5 minuten moest men de beide buurtstations in de gaten houden om het teken dan zo vlug mogelijk na te bouwen. Zij beschikten over verrekijkers van Engelse oorsprong: een mobiele kijker kostte tussen de 40 à 75 fr, een vaste tussen de 70 à 150 fr. Ter vergelijking: het maandloon van een bedienaar van de telegraaf bedroeg toen 38 fr.

De betekenis van de doorgeseinde tekens kende de bedienaar van het station niet. Alleen in het eindstation kon men dank zij codeboeken het bericht ontcijferen. Geheimhouding was hierdoor verzekerd. De telegrafist die een sein miste of niet correct doorseinde werd met een forse geldboete bestraft. Om financiële redenen werd vrij snel beslist het werk, dat natuurlijk hetzelfde bleef, alleen door één persoon, de "stationnaire", te laten doen. Verder had men de inspecteurs die verantwoordelijk waren voor het materiaal van een twaalftal posten en die de ʻstationnairesʼ betaalden en controleerden. De directeur bevond zich in het eindstation en samen met de “traducteur” moesten ze de ontvangen tekens met behulp van de sein- en codeboeken ontcijferen. Ook codeerden ze de berichten die men moest verzenden. Daarbij hield de directeur ook toezicht op de verschillende inspecteurs.

 

Inspecteur.

Het systeem werkte zo bevredigend dat na verloop van weinige jaren soortgelijke telegraaflijnen door heel Frankrijk werden aangelegd. Het duurde niet lang of Engeland, Duitsland, Amerika en andere landen volgden dit voorbeeld, zij het in min of meer gewijzigde vorm. Ook in ons land werden deze telegraafverbindingen toegepast (tot eind 1815), maar van veel betekenis zijn zij hier nooit geweest.
Mist en regen waren spelbrekers en een poging om ʻs nachts berichten door te geven door de seinarmen met lampen te verlichten mislukte. Daarnaast waren er nog allerhande praktische problemen: wat doen als een van de stations uitviel? Hoe kon vermeden worden dat berichten tegen elkaar opbotsten? Een antwoord op die vragen kwam er niet.

 

1. "Hoe meer men zich over deze uitvinding verwonderde, hoe minder men het konde begrijpen, dat men dezelve niet vroeger ontdekt had. Wel is waar, dat men van ouds zekere voor heen bepaalde phrasen (spreekwijzen) aan elkander door teekenen mededeelde, van welk middel zich de zeelieden, sedert onheugelijke tijden, bedienen; dat AENEAS van eenige proeven spreekt, om de letter van het alphabeth, op zekeren afstand, door tekens uit te drukken..." Algemeen Woordenboek van Kunsten en Wetenschappen, Gt Nieuwenhuis, H.C.A. Thieme, Zutphen 1821, pag. 90.

 

... het vervolg van dit artikel kan gelezen worden in het tijdschrift.