Omer Wattez

 

werd te Schorisse geboren op 9 februari 1857 en ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand onder de naam van Louis Homère. Hij was de oudste van de 9 kinderen die in het gezin van Camilus en Perpetua Vandermeynsbrugge geboren werden. Zijn oom, onderwijzer Leonard Eechout, wist de ouders te overtuigen om Omer naar de Rijksnormaalschool te Gent te sturen. In 1876 komt hij in de gemeenteschool als hulponderwijzer bij zijn oom les geven. Als gevolg van de "ongelukswet" van Frère Orban breekt een schooloorlog uit en bij gebrek aan leerlingen diende hij Schorisse verlaten. Hij trok naar Heurne waar hij in 1880 schoolhoofd werd. Het jaar daarop huwde hij met Cordula Elodia Vanderstraeten. Ondertussen studeerde hij Germaanse talen aan de Gentse Rijksuniversiteit. Drie jaar later werd hij benoemd tot leraar Germaanse talen aan het Koninklijk Atheneum te Doornik. Hij bekleedde dit ambt tot september 1907 en werd dan leraar aan het Koninklijk Atheneum te Antwerpen.

 

De jaren 1888 tot 1914 waren zijn meest vruchtbare. Begonnen als dichter kreeg hij van zijn vrienden Isidoor Teirlinck en Reimond Stijns de raad om de novelle en het reisverhaal te beoefenen. De dorpsnovelle was toen zeer geliefd dank zij schrijvers als Concience, Abraham Hans, Snieders e.a. Hij publiceerde 25 novellen over het Zuidoostvlaamse land en in 1890 rolde de eerste versie van "De Vlaamse Ardennen" van de pers: "Een tochtje in het Zuiden van Vlaanderen" verscheen bij boekhandel J. Vuylsteke, Koestraat 15 te Gent, uitgave nr 120 van het Willemsfonds en versierd met tekeningen van Armand Heins. In zijn novellen blijkt zijn grote bekommernis voor de Vlaamse culturele achterstand en de verloedering van Vlaanderen door een doorgedreven verfransing.

In zijn novelle "Lentefantazij", verschenen in 1888, gebruikte hij voor het eerst de naam Vlaamse Ardennen. Thema's die nu in de mode liggen zoals milieubescherming, natuurbehoud, kleinschaligheid, waardering voor het ecologisch evenwicht waren toen reeds zijn thema's.

Op het einde van zijn leven, op 16 december 1934 schreef hij: "Nu verlang ik naar de lente om nog eens naar mijn geboortedorp te komen en er berg-op berg-af te wandelen en mijn goede vrienden te bezoeken..." Op 26 maart 1935 overleed hij op 78-jarige leeftijd.
    
Omer Wattez was vertaler, volksopvoeder en promoter van het toerisme in de Vlaamse Ardennen. Zo vertaalde hij Germaanse sagen en maakte hij een studie over het ontstaan en de betekenis van de ballade. "Germaanse Balladen" in 1909, S"iegfried" in 1924, "Goethe's Faust" in 1924, "Goedroen" in 1926 zijn hiervan enkele voorbelden.

Ook was hij een bijzonder geslaagd en vruchtbaar novellenschrijver. Deze novellen en wandelbeschrijvingen pasten zeer goed in het kader van zijn strijd om ontvoogding van de Vlaming, o.a. "Van Twee Koningskinderen" (1901), "Wouters Jonge Jaren" (1902), "Het Gezin van den Mulder" (1902), "De Zwalmleeuwen" (1905). Hij schreef er 31 die later gegroepeerd verschenen onder de titel "Zuid-Vlaandersche Novellen". Ze bevatten een schat aan documentatie voor de volkskundigen. Nu eens idyllisch, steeds romantisch, maar ook satirisch op het karikaturale af waren ze in Wattez' geest strijdmateriaal tegen de verfransing en de verloedering van de aloude volkszeden: een uniek beeld wordt erin opgehangen van een deelgebied van Vlaanderen aan het eind van de 19de eeuw (Nederlands Biografisch Woordenboek 1966).

De naam van Omer Wattez houden we in eer, zijn rol voor het behoud van onze toeristische waardevolle Vlaamse Ardennen werd overgenomen. De Stichting die zijn naam draagt ijvert in 19 gemeenten of zowat 120 dorpen voor de bescherming en de herwaardering van het globale milieu in de Vlaamse Ardennen, die zoals de stichter van deze vereniging, Ulrich Libbrecht, terecht opmerkt een paradijs voor de wandelaar moet blijven (Sylvain De Lange, Businarias, september 2007). De Maarkedalse openbare bibliotheek draagt eveneens zijn naam.